Als autofabrikanten het hebben over autonoom rijden, solid state accu‘s of vliegende taxi’s, dan klinkt dat best visionair. Maar zelfs de meest gedurfde toekomstvisies doen nogal voorspelbaar aan in vergelijking met het concept dat Ford in 1958 voorstelde: een auto met een eigen kernreactor.
We gaan terug naar 1958. Amerika zit midden in de Koude Oorlog. De ruimtewedloop komt op gang, de eerste atoomonderzeeërs varen over de oceanen en de Amerikaanse president Dwight D. Eisenhower pleit met zijn programma ‘Atoms for Peace’ voor het vreedzame gebruik van kernenergie. Overal verrijzen kerncentrales, kranten berichten enthousiast over de mogelijkheden van de atoomtechnologie en zelfs kinderen leren op school dat de energie van de toekomst voortkomt uit de splijting van minuscule atoomkernen.
Het past helemaal in het plaatje dat ook de autofabrikanten hun bijdrage willen leveren aan het realiseren van deze veelbelovende nucleaire toekomst. Tijdens de Rotunda-tentoonstelling in Dearborn presenteert Ford een model dat helemaal in de tijdgeest past: de Ford Nucleon. Het voertuig heeft geen klassieke motorruimte en evenmin een benzinetank. Daarnaast is het passagierscompartiment opvallend ver naar voren geplaatst. Op de plek waar zich normaal gesproken de bagageruimte bevindt, is bij deze bijzondere auto een compacte kernreactor te vinden.
Brandstofcassette
Het technische idee erachter is even eenvoudig als spectaculair. In het midden van de auto moet een kleine hogedrukreactor met behulp van kernsplijting bewerkstelligen dat er warmte vrijkomt, waarmee water in stoom wordt omgezet, die vervolgens een turbine aandrijft. Via een versnellingsbak komen de aangedreven wielen in beweging. De Ford-ingenieurs hebben voor ogen dat de reactor een koppeling maakt met een vervangbare brandstofcassette.
Na ongeveer 5.000 mijl, oftewel zo’n 8.000 kilometer, te hebben gereden, moet de bestuurder geen tankstation opzoeken, maar een speciaal servicestation. Daar kan hij of zij de complete reactoreenheid laten vervangen door een ander, gevuld exemplaar. Het concept doet sterk denken aan dat achter de accuwisselstations voor elektrische auto’s, alleen gaat het hier om een zeer radioactieve brandstof in plaats van lithium. Maar het bleef vooral een theorie. Ford heeft nooit gedetailleerde technische documentatie over de geplande reactor gepubliceerd. Er is nooit een rijdend prototype gemaakt en vermoedelijk had dat met de techniek van toen ook nooit kunnen rijden.
Stappen voorwaarts
De ingenieurs gaan er echter van uit dat de kerntechniek in de jaren daarna enorme stappen voorwaarts zou zetten. Dat zou gaan leiden tot kleinere splijtstofelementen, lichtere afschermingsoplossingen en compactere koelsystemen. De Nucleon is daarom ook niet zozeer een concreet ontwikkelingsproject; het is een voorproefje van de technische vooruitgang die eraan zat te komen.
Het ontwerpteam onder leiding van George Walker, indertijd een van de belangrijkste auto-ontwerpers, is verantwoordelijk voor het ontwerp. Walker heeft dan al zijn stempel gedrukt op tal van Ford-modellen en hij weet als geen ander toekomstvisies te vertalen naar spectaculaire vormen. Met zijn enorme vinnen op de achterzijde, het passagierscompartiment met zijn grote ramen en de strakke lijnen lijkt de Nucleon eerder een ruimteschip op wielen dan een klassieke sedan. De ongebruikelijke verhoudingen zijn daarbij geenszins een doel op zich: de naar achteren verplaatste reactor vereiste een volledig nieuwe lay-out.
Vandaag de dag lijkt het concept met de kernreactor bijna absurd. Het was niet zozeer een gebrek aan lef bij de ingenieurs dat het idee de das om deed, maar de wetten van de fysica die daarvoor verantwoordelijk waren. Een kernreactor produceert niet alleen warmte, maar ook hoogenergetische neutronen- en gammastraling. Om de inzittenden goed daartegen te kunnen beschermen, waren metersdikke afschermingselementen van lood, staal of beton of speciale waterreservoirs nodig. Alleen al deze stralingsbescherming zou een gewicht van meerdere tonnen hebben gehad.
Magneetzweeftechnologie
Toch was Ford niet het enige autoconcern dat speelde met dit idee. Het enthousiasme voor kernenergie in de jaren 50 werkte indertijd door in vrijwel de gehele auto-industrie. Studebaker introduceerde in 1958 de futuristische Astral, een eenzitsconceptcar die in theorie eveneens op kernenergie zou kunnen rijden en dankzij magneetzweeftechnologie zelfs boven de wegen kon zweven volgens zijn makers. Ook het Franse Simca zette in 1958 met de Fulgur een studiemodel op de wielen dat plek bood aan een miniatuurreactor. Het voertuig zou contactloos over inductiebanen kunnen rijden en zichzelf kunnen besturen met behulp van radartechniek. Het systeem vertoont verbazingwekkend veel gelijkenissen met moderne autonome assistentiesystemen, hoewel het vanuit technisch oogpunt destijds nooit gerealiseerd had kunnen worden. De Simca Fulgur schitterde in 1959 op de Autosalon van Genève. Zo stelde (foto onder) ontwerper Robert Opron zich een auto uit het jaar 2000 voor. De eigenlijke drijfveer achter al deze waanzinnige projecten was niet zozeer ingenieurskunst, als wel een grenzeloos optimisme.
In de jaren 50 leek bijna alles mogelijk, en de schaduwkanten van kernenergie waren toen nog nauwelijks te overzien. Het duurde nog tientallen jaren totdat de kernrampen in Tsjernobyl (1986) en Fukushima (2011) daarin op dramatische wijze verandering brachten.
