Sommige technieken zijn al zo oud als de automobiel zelf en bij veel innovaties is het lastig te zeggen wie het als eerste op een auto toepaste. Een uitvinding wordt eigenlijk pas relevant als die door het grote publiek wordt gebruikt. Wat dat betreft waren de jaren 60 een geweldige tijd voor de auto-industrie. Kijk maar eens naar deze waslijst aan nieuwe technologieën en ontwikkelingen die toen doorbraken naar massaproductie.
Schijfremmen
Vóór de jaren 60 hebben bijna alle auto’s trommelremmen. Bij intensief gebruik kunnen deze hun hitte niet goed kwijt, waardoor de remkracht drastisch afneemt (‘fading’). Schijfremmen zijn veel beter op die taak berekend; omdat de schijf in de open lucht hangt, koelt hij veel beter. Dit resulteert in een kortere en veel consistentere remweg. Hoewel Jaguar de techniek in de jaren 50 al in de racerij gebruikt en de Citroën DS ze al in 1955 heeft, is de Renault 8 (1962) de eerste massaproductie-auto voor ‘het gewone volk’ met schijfremmen op alle vier de wielen.
Kreukelzones / veiligheidskooi
Lang dacht men dat een auto zo stijf mogelijk moest zijn om veilig te zijn. Het gevolg: bij een botsing krijgen de inzittenden de volle klap te verwerken. De uitvinding van de kreukelzone en veiligheidskooi brengt daar verandering in. De passagiersruimte (de kooi) wordt versterkt, terwijl de voor- en achterkant van de auto zo ontworpen worden dat ze gecontroleerd kunnen ‘opvouwen’ (de kreukelzone) om zo de energie te absorberen. Ingenieur Béla Barényi van Mercedes-Benz patenteert de kreukelzone al in 1951. In 1959 wordt het op grote schaal toegepast in de Mercedes W111 'Heckflosse', waarmee de standaard voor de jaren 60 wordt gezet.
Gelaagde voorruit
Oude autoruiten werden gemaakt van gehard glas, dat bij steenslag of een botsing versplintert en voor nare verwondingen kan zorgen. Gelaagd glas bestaat uit twee lagen glas met daartussen een flinterdunne, taaie kunststoffolie. Breekt het glas, dan blijven de scherven aan de folie plakken en blijft de ruit in zijn geheel in de sponning zitten. In Europa lopen Volvo en Saab voorop door de gelaagde voorruit standaard te monteren. In de VS is gelaagd glas al decennia de norm, als in 1968 een nog sterkere, verbeterde variant (HPR) wettelijk verplicht wordt. In Europa wordt gelaagd glas pas begin jaren 80 de standaard.
Gescheiden remsysteem
Een klassiek remsysteem werkt via één enkel hydraulisch leidingnetwerk. Als er ergens een slangetje knapt of gaat lekken, verlies je direct de remkracht op alle vier de wielen. Het gescheiden remsysteem lost dit probleem op. De auto krijgt twee gescheiden leidingcircuits, één voor de voorwielen en één voor de achterwielen, of diagonaal verdeeld. Zo heb je altijd nog remkracht over om de auto veilig tot stilstand te brengen. Cadillac en AMC hebben het in 1962 standaard op al hun modellen. In Europa is Volvo in 1966 de pionier met de nieuwe 140-serie, die zelfs een ingewikkeld driehoekig gescheiden systeem krijgt.
Autogordels
Hoewel heupgordels al bestonden, zorgt Volvo in 1959 voor een revolutie door de Amazon en de PV544 (Kattenrug) standaard uit te rusten met een driepuntsgordel. Door een V-vormige band over zowel het bekken als de borstkas te leggen, blijft de passagier bij een klap stevig in de stoel zitten. Volvo stelt het patent open voor alle autofabrikanten, waardoor de driepuntsgordel de meest effectieve veiligheidsinnovatie uit de autogeschiedenis wordt.
Inklapbare stuurkolom
Bij een frontale botsing in een oudere auto werd de massieve stalen stuurstang vaak als een dodelijke speer het interieur in geduwd, recht op de borstkas van de bestuurder af. Aan het eind van de jaren 60 worden de inklapbare stuurkolommen geïntroduceerd. Deze zijn zo ontworpen dat ze, als een telescoop, in elkaar schuiven of gecontroleerd buigen zodra er zware druk op komt te staan. Dit voorkomt veel fataal letsel. General Motors loopt voorop met zijn Energy Absorbing Steering Column door deze in 1967 in vrijwel alle modellen van Chevrolet, Pontiac, Buick en Cadillac te monteren.
Vervangbare olie- en luchtfilters
Auto-onderhoud is vóór de jaren 60 een vieze, tijdrovende klus. Oliefilters bestaan uit metalen gaasjes die met de hand schoongemaakt moeten worden, en luchtfilters zijn vaak zogenoemde ‘oliebadfilters’. De doorbraak van ‘wegwerpfilters’ van papier of synthetisch filtermateriaal maakt niet alleen het onderhoud sneller en efficiënter, ze filteren bovendien kleinere vuildeeltjes uit de vloeistoffen, waardoor de motoren langer meegaan.
Automatische choke
Een koude verbrandingsmotor heeft voor het starten een rijker brandstofmengsel (meer benzine, minder lucht) nodig. Hiervoor trek je de ‘choke-knop’ op het dashboard uit. Vergeet je die op tijd terug te duwen, dan begint de motor te stotteren en blijf je onnodig veel brandstof verstoken. Bij een automatische choke wordt de choke-klep niet bediend door een kabel, maar door een temperatuurgevoelig element. Vaak is dit een bimetaalveer (een spiraalveer gemaakt van twee verschillende metalen) of een was-element. In de jaren 60 wordt de automatische choke gemeengoed, mede dankzij de Volkswagen Kever. Overigens introduceert Oldsmobile hem al in 1932.
Brandstofinjectie
Vrijwel alle auto's hebben carburateurs om lucht en brandstof te mengen. Die zijn puur mechanisch, wat ze inefficiënt maakt bij wisselende weersomstandigheden en toerentallen. Brandstofinjectie brengt de benzine onder hoge druk direct of indirect in de cilinders. Hierdoor start de motor beter, loopt-ie soepeler, levert-ie directer vermogen en verbruikt-ie bij lage temperaturen minder brandstof. De Volkswagen Type 3 zorgt in 1968 voor een doorbraak; het is de eerste productieauto met elektronische brandstofinjectie (Bosch D-Jetronic).
Elektronische ontsteking
Traditionele ontstekingssystemen werken met contactpuntjes in de stroomverdeler. Deze mechanische onderdeeltjes slijten en branden in, waardoor je de timing van de bougievonk constant moet (laten) bijstellen. Elektronische ontsteking genereert een krachtigere vonk en heeft geen bewegende, slijtgevoelige delen meer. Niet alleen loopt de motor beter, het scheelt ook onderhoud en het bevordert de betrouwbaarheid. In de jaren 60 was elektronische ontsteking nog geen gemeengoed, maar voorbehouden aan de duurdere modellen.
Wisselstroomdynamo
Een gelijkstroomdynamo levert pas voldoende elektriciteit als je flink gas geeft. Sta je met de lichten en kachel aan in de file, dan trek je simpelweg je accu leeg en valt de motor uit. De wisselstroomdynamo (of alternator) genereert door zijn slimme opbouw al een krachtige laadstroom bij een stationair toerental. Omdat auto's in de jaren 60 steeds meer elektrische snufjes krijgen, is deze innovatie bijzonder welkom. Chrysler is in 1960 de eerste autofabrikant die een alternator standaard monteert op de Plymouth Valiant.
Tandheugelbesturing
De besturing van veel oudere auto’s werkt met een stuurhuis dat traag en vrij ongevoelig was, zoals het wormwiel. Dit zorgt voor speling op het stuur, waardoor je als bestuurder constant aan het corrigeren bent. Tandheugelbesturing werkt met een tandwieltje aan het einde van de stuurstang dat direct grijpt op een getande stang (de tandheugel) die de wielen naar links of rechts duwt. Dit levert een veel scherper stuurgevoel op. De Mini was begin jaren 60 een van de eerste massamodellen met deze stuurinrichting, al was de Morris Minor hem in 1948 ruim voor.
Wankelmotor
In plaats van zuigers die stampend op en neer gaan, draait in de Wankelmotor een driehoekige rotor razendsnel in een ovale kamer om vermogen op te wekken. Uitvinder Felix Wankel belooft een compacte, lichte motor met ongekend weinig trillingen en een fantastisch geluid. Met NSU (Wankel Spider en Ro 80) en Mazda (Cosmo) in de voorhoede wordt dit motorconcept in de jaren 60 en 70 gezien als de aandrijving van de toekomst. Helaas blijken de motoren dorstig en lastig betrouwbaar te krijgen, waardoor de wankelmotor nooit doorbreekt.
Voorwielaandrijving
De Mini bewijst begin jaren 60 hoe efficiënt en ruimtebesparend het is om een dwarsgeplaatste motor en de versnellingsbak te combineren onder de motorkap en zo de voorwielen aan te drijven. Geen dikke cardantunnel meer door het interieur, zoals bij traditionele achterwielaandrijvers. Voorwielaandrijving wordt al snel gemeengoed. In de VS zorgt de Oldsmobile Toronado in 1966 voor opgetrokken wenkbrauwen door V8-kracht los te laten op de voorwielen.
Radiaalbanden
Diagonaalbanden, met diagonaal geplaatste koordlagen in het rubber, zijn stug en verliezen in bochten snel hun vorm en grip. De radiaalband heeft koordlagen die haaks op de rijrichting staan, in combinatie met een stevige, stalen gordel onder het loopvlak. Ze bieden veel meer grip, stuurprecisie en rijcomfort. Bovendien slijten ze veel minder snel. Michelin wordt gezien als de uitvinder van de radiaalband, die in de jaren 60 de nieuwe standaard wordt. Citroën - destijds eigendom van Michelin - monteert ze als eerste standaard onder zijn modellen.
Halogeenlampen
Gloeilampen geven een zwak, geelachtig licht en worden na verloop van tijd steeds donkerder, omdat de gloeidraad de binnenkant van het glas zwart maakt. De halogeenlamp maakt gebruik van een specifiek gas in de bolletjes, wat een felle, spierwitte lichtbundel geeft die veel verder reikt en niet aan kracht inboet. Fabrikanten zoals Hella en Philips introduceren de H1-halogeenlamp rond 1962; het is een enorme stap op het gebied van verkeersveiligheid.
Ventilatiesystemen
Waar je voorheen gewoon een raampje opende voor frisse lucht, krijgen auto’s in de jaren 60 steeds vaker een geïntegreerd ventilatiesysteem in het dashboard. Lucht van buitenaf wordt via roosters het interieur in geblazen. Aanjagers (ventilatoren) en verwarmingselementen zorgen ervoor dat de temperatuur geregeld kan worden en dat een beslagen voorruit snel ontwasemd kan worden. In Europa speelt de Ford Cortina vanaf 1964 een belangrijke rol met het innovatieve Aeroflow-systeem. Het is een van de eerste betaalbare auto's met gerichte ventilatieroosters ('bolletjes') op het dashboard en afzuigroosters in de achterste stijlen, wat voor een constante luchtstroom zorgt zonder de ramen te hoeven openen.
Ruitenwissers met interval
De ‘interval’ maakt een einde aan piepende en stuiterende ruitenwissers over stroef, halfdroog glas bij lichte regenval. Een elektronisch relais zorgt ervoor dat de ruitenwissers met een vaste (en later instelbare) interval hun taak kunnen uitvoeren. De Amerikaanse ingenieur Robert Kearns presenteert zijn uitvinding in 1963 aan Ford, dat er schaamteloos mee aan de haal gaat en het in 1969 aanbiedt als optie op diverse modellen. Het leidt tot een langslepende rechtszaak die Kearns uiteindelijk in 1990 (!) wint. Dit tragische verhaal is in 2008 verfilmd in Flash of Genius.
Transistor-autoradio
De eerste autoradio's werken op kwetsbare, glazen vacuümbuizen. Ze zijn groot, trekken veel stroom en moeten lang opwarmen voordat je iets hoort. De komst van de transistor, een klein elektronisch component, verandert alles: de radio past nu in een gleuf in het dashboard, geeft direct geluid en is niet gevoelig voor de trillingen van een rijdende auto. Begin jaren 60 lanceert de Duitse radiofabrikant Becker de Becker Europa TR (waarbij TR staat voor transistor). Ook Blaupunkt voorziet in de sixties miljoenen Europese auto's van transistorradio's.
Doorbraak van de hatchback
In de jaren 60 komt de hatchback met zijn praktische ‘vijfde deur’, een grote achterklep die aan de bovenkant scharniert, en mengt zich tussen de traditionele sedans en stationwagons. De Renault 4 plaveit in 1961 de weg; de 16 zorgt voor de grote doorbraak van de hatchback als praktische, comfortabele gezinsauto. En vergeet ook de Autobianchi Primula uit 1964 niet.
Middenmotor voor straatauto's
Bij een sportwagen ligt de motor traditioneel voorin. Tot de komst van de Lamborghini Miura in 1966. Door de V12 in het midden van de auto (dwars achter de stoelen, vlak voor de achteras) te plaatsen, krijgt de auto een nagenoeg perfecte gewichtsverdeling. Het bevordert de rijeigenschappen en geeft de designers meer vrijheid voor het ontwerp van de voorkant van de auto. De Miura is de blauwdruk voor de moderne supercar, al waren de René Bonnet Djet (1962) en de De Tomaso Vallelunga (1964) eigenlijk eerder met hun middenmotor.
