Als in de jaren 60 de burger meer geld verdient en meer vrije tijd krijgt, wil hij een auto hebben. Zo groeit in dat decennium niet alleen het aantal nieuwe auto’s dat verkocht wordt, maar ook het aantal tweedehandsjes. En dat kan problemen opleveren.
De autohandel is in de jaren 60 nog niet zo georganiseerd en gebruikte auto’s worden dikwijls verkocht door schimmige handelaren. In die jaren zijn ook automarkten nog een heel gewoon verschijnsel. Niet zelden spelen die markten zich in de avond af, waarbij kopers in het licht van een straatlantaarn de auto van hun dromen moeten inspecteren. Er kan daar van alles misgaan. Problemen aan lagers kun je tijdelijk – zeg maar heel tijdelijk – oplossen door er spekzwoerd in te proppen. Snijkoek in het cardan voorkomt het gieren van de tandwielen. Verroeste chassisbalken worden soms vervangen door houten balken in plaats van een chassis, met een plaatje triplex op de bodem. Roestgaten vul je slinks op met kippengaas en papier-maché. Met een laagje bitac erover zie je er dan niets meer van.
Duitse occasions goedkoper, maar schadeherstel is er duurder
Door de exploderende vraag naar auto’s neemt de import van tweedehands kneusjes hand over hand toe. In 1962 worden er 25.000 tweedehands auto’s in Nederland geïmporteerd; in 1966 zijn het er zelfs 60.000, het merendeel vanuit Duitsland. De prijzen van nieuwe auto’s zijn in Duitsland lager dan bij ons, en occasions zijn er dus ook goedkoper. Maar reparaties zijn er juist duurder dan in Nederland. Het is voor een Duitse automobilist dan ook al snel goedkoper om een auto die schade heeft niet te laten repareren, maar te vervangen.
Overschot
In Duitsland groeit op die manier een overschot aan kneusjes en kreukelaars, en in Nederland groeit juist de vraag naar betaalbare gebruikte auto’s. Zo komen er vele duizenden Duitse auto’s de grens over, sommige letterlijk rechtstreeks afkomstig van autosloperijen. In ons land worden ze dan weer opgelapt, uitgedeukt en soms maken handige lieden van twee auto’s één auto. Bij de RDW krijgt zo’n auto dan een apart kenteken, dan nog met twee letters, twee cijfers en weer twee cijfers. Voor importauto’s zijn bepaalde lettercombinaties gereserveerd: DD, EX en GK, bijvoorbeeld. Die krijgen in de volksmond al gauw een significante betekenis: Duitse Deuk, EX-auto en Gauw Kapot.
Serieus gevaar
Want de opgelapte barrels uit Duitsland krijgen een slechte reputatie. Niet alleen vertonen ze tal van mankementen, maar omdat ze vaak maar provisorisch zijn opgelapt, vormen ze ook een serieus gevaar op de weg. De ANWB concludeert dat van de 500.000 gebruikte auto’s die in 1966 in Nederland zijn verkocht, de helft in ondeugdelijke staat verkeert. De branche probeert er wel iets aan te doen. In 1965 ziet de Bovag Garantie het levenslicht. Wie bij een Bovag-autobedrijf een occasion koopt van ten minste 2.500 gulden, krijgt drie maanden garantie. De automerken volgen: General Motors lanceert kort hierna het occasionlabel OK Occasion en Ford komt met het A1-label. Het zijn de eerste stappen naar een gereguleerde handel in tweedehands auto’s. Maar het probleem is tot op de dag van vandaag niet helemaal opgelost.
Foto's Utrechts Archief en Nationaal Archief
