De klassieke Mini heeft bij heel wat carrosseriebouwers zijn stalen dakje verruild voor een zacht, opvouwbaar exemplaar. Pas in 1993 nam de Minifabrikant zelf een open versie in serieproductie.
Tegenwoordig is er nog maar weinig vraag naar cabrio’s. Dat was in de vorige eeuw wel anders. Toch duurde het nog vrij lang voordat de makers van de Mini zelf met een cabriolet kwamen. De klassieke Mini is door de jaren heen eerst door tal van andere bedrijven gescalpeerd, onder wie het Nederlandse Cabrioni en de Duitse Rover-dealer Lamm. Laatstgenoemde deed dat zo netjes dat het vanaf 1991 onder meer 75 exemplaren via de Britse Rover-dealers mocht verkopen (Mini hoorde destijds bij de Rover Group). De grote vraag ernaar spoorde Rover Special Products aan om uiteindelijk toch een cabriolet in productie te nemen, daarbij bijgestaan door de Duitse specialist Karmann. Het beursdebuut van de enige echte Mini Convertible was in oktober 1992 op de Birmingham Motor Show, met de productiestart in Longbridge in de daaropvolgende zomer.
De cabriolet was liefst 70 procent duurder
Een koopje was de open Mini allerminst. De reguliere Cooper kostte destijds £6.995, de nieuwe Convertible £11.995 – een toename van dik zeventig procent. Daarvoor kreeg de koper een auto die nogal wat inschikkelijkheid verlangde, als groot contrast met de aaibaarheid die uit zijn goeiige, grote koplampen sprak. Aan het rijden lag het niet, zo maken we op uit een testverslag. De spierballen van de beroemde 1.275 cc-motor waren groot genoeg, het blokje ronkte er lustig op los en op bochtige trajecten bleek dat de stijfheid door de aangebrachte verstevigingen nog altijd prima was. Tegelijkertijd was de omgang met de auto nuchter bekeken doodvermoeiend, van het zware sturen en schakelen tot de omslachtige bediening van de kap en het hevige gekraak dat onderweg je oren teisterde ... Maar ja, wie bekijkt een Mini nu nuchter?






