We gaan een halve eeuw terug in de tijd, naar 1976. Het is het jaar dat opvallende nieuwkomers als de Porsche 924, de Volvo 343 en de Aston Martin Lagonda het levenslicht zien. Maar ook een stukje Duitse zakelijkheid: de Mercedes-Benz 200-300 klasse, ook bekend als de 123-serie.
Hoe zag het aanlooptraject eruit?
Hoewel ze in Stuttgart zeer content zijn met de in 1968 geïntroduceerde W114/115-reeks, begint Mercedes al in 1970 met de ontwikkeling van de intern als W123 aangeduide opvolger. Bij de perspresentatie in januari 1976 zegt Heinz Schmidt, lid van de Raad van Bestuur van Daimler-Benz AG, dat voor deze auto technische perfectie is nagestreefd. De basisopzet van de W114/115 is daarbij ongemoeid gelaten; het nieuwe model moet vooral veiliger en comfortabeler worden, in combinatie met lagere gebruikskosten en een hogere restwaarde. Bij de start van de ontwikkeling leunt Das Haus sterk op de dan nog te verschijnen S-klasse (W116).
Om niets aan het toeval over te laten en om de lopende productie niet te verstoren, investeert Mercedes 20 miljoen D-mark in een pilotfabriek om onder serieomstandigheden de montage van de nieuwe auto uit te proberen. Het doel van deze proeffabriek is fouten uit het proces te halen, het montageproces verder te optimaliseren en het personeel kennis te laten maken met de nieuwste productiemiddelen. Kosten noch moeite worden gespaard voor kwaliteit.
Hoe werd hij onthaald door de pers?
In de Duitse media druipt het chauvinisme van de pagina’s. Het toonaangevende Auto, Motor und Sport beoordeelt de bouwkwaliteit als absoluut superieur, de veiligheid als baanbrekend, het comfort als uitstekend, terwijl de nieuwe voorwielophanging een voor die tijd ongekende stabiliteit oplevert. Een van de weinige minpunten in de pers: de 200D is met zijn 55 pk diesel tergend langzaam. In Nederland is het een mix van diep respect en Hollandse nuchterheid. Als er al kritiek is, dan betreft die de stevige prijs en de spartaanse standaarduitrusting. De stoelen moet je handmatig verstellen en de rechterbuitenspiegel is een optie, net als stuurbekrachtiging en later ook een vijfde versnelling. Desalniettemin is het autojournaille na de eerste kennismaking lovend over de nieuwe Mercedes en lezen we dat je ondanks de stevige prijs absoluut waar voor je geld krijgt. Naast de degelijke bouwkwaliteit en de technische verfijning worden met name de veiligheid, de prestaties en het comfort geprezen. Ook als het gaat om afwerking is de W123 boven alle kritiek verheven. Het tijdschrift Motortrend roept de 280E in de VS uit tot importauto van het jaar 1977, vooral vanwege zijn allroundprestaties.
Hoe revolutionair was de Mercedes-Benz W123 eigenlijk?
Het design van de 200-300 klasse is totaal niet revolutionair. Hoewel de carrosserie van voor tot achter nieuw is, is hij in één oogopslag herkenbaar als Mercedes. Met de nodige stijlelementen van de in 1972 geïntroduceerde S-klasse (de W116) wil Mercedes een auto neerzetten die wars van trends en modegrillen een tijdloze verschijning is. Dit onder meer om de restwaarde van de auto hoog te houden. Ook technisch lijkt een behoudende koers gevaren. Motoren (benzine en diesel), transmissie (handbakken en automaten), stuurinrichting (kogelkringloop) en achteras (pendelasconstructie) zijn bekend uit de vorige generatie. Bij de ontwikkeling ligt de nadruk op veiligheid, zowel passief als actief. Er is serieus werk gemaakt van kreukelzones. Om die reden is de brandstoftank – net als bij de S-klasse – verplaatst van onder de kofferbakvloer naar een veilige plek boven de achteras, direct achter de achterbank. Voortaan maakt het reservewiel deel uit van het integrale veiligheidsconcept: dat ligt nu onder de bodem van de achterbak en moet in geval van een aanrijding van achteren meehelpen om botsenergie tussen de achterbumper en de achteras te kanaliseren. Verder is de koets steviger gemaakt om de inzittenden beter te beschermen bij koprollen en aanrijdingen van opzij.
Wat waren de keuzes bij de marktintroductie?
Mercedes trapt af met de vierdeurs sedan. Die krijgt de aanduiding W123 met de W van wagen. De coupé C123 beleeft zijn première tijdens de salon van Genève, waarbij de komst van een stationwagon wordt aangekondigd. Die debuteert op de IAA in Frankfurt in september 1977 en krijgt de toevoeging T (van Touristik und Transport) achter zijn naam. Het T-model noemt Mercedes intern de S123. In augustus 1977 begint de productie van de V123, de verlengde achtzitter voor trouw-, rouw- en taxivervoer. Daarnaast zijn er nog de F123 en langere VF123 (met de F van Fahrgestel).
In eerste instantie is er keuze uit vijf benzinemotoren en vier diesels. De benzineversies zijn de 200, de 230, de 250, de 280 en de 280E. De diesels zijn de 200D, de 220D, de 240D en de 300D. Alleen de zescilinderbenzinemotor in de 250 is nieuw, de overige acht zijn licht verbeterde krachtbronnen uit de W114/115. In alle gevallen is een handgeschakelde vierbak standaard en is een viertrapsautomaat bij alle negen een optie. Een aardig weetje: alleen bij de handbak van de 280 en de 280E is de achteruit gesynchroniseerd. Bij de andere motoren moet je de achteruit met enig beleid inleggen.
Wat waren zijn concurrenten?
Concurrentie op gelijk niveau is er nog niet echt. Een alternatief voor de W123 is wellicht de in 1972 gepresenteerde eerste generatie BMW 5-serie (de E12). Daarvoor was BMW met de Neue Klasse nog geen bedreiging. Maar nu lijkt het anders. Hoewel Mercedes focust op veiligheid en comfort is er met de komst van de 5-serie in Stuttgart meer dan voorheen aandacht besteed aan rijgedrag, al blijft de W123 minder dynamisch dan de tegenstrever uit München. Met de eveneens in 1976 geïntroduceerde 100 (C2) probeert Audi zich te ontworstelen aan de middelmaat en wil het zich meten met Mercedes en BMW. In 1982 – de W123 loopt op zijn laatste benen – lukt het Audi met de gestroomlijnde 100 (C3) om in elk geval visueel een partijtje mee te blazen. Als het om veiligheid gaat is de Volvo 200-serie het nuchtere Zweedse alternatief voor de W123. De Fransen hebben de Peugeots 505 en 604 als antwoord en voor nog meer comfort de Citroën CX. Voor liefhebbers van een V8 is er de Rover 3500 (SD1). Als het je gaat om veel auto voor weinig geld, dan kun je bij Ford en Opel terecht voor de Granada en de Senator. Daar krijg je een zescilinder voor een fractie van de prijs van een 280E. Hoewel ze prestige missen, beschik je met de Toyota Cressida en de Nissan Laurel standaard over elektrische raambediening en airconditioning, waarvoor je bij Mercedes diep in de buidel moet tasten.
Nog bijzonderheden tijdens zijn levensloop?
In de eerste jaren kan Mercedes bij lange na niet voldoen aan de enorme vraag naar met name de diesels. Er ontstaan serieuze wachtlijsten; ook in Nederland kan het zomaar twee jaar duren voor je je nieuwe Mercedes afgeleverd krijgt. In Duitsland ontstaat zelfs een zwarte markt en kun je in die dagen meer dan 5.000 D-mark krijgen voor een koopcontract met een vroege leverdatum.
In 1980, als vraag en aanbod weer met elkaar in de pas lopen, verschijnt er een turboversie van de 300D. Die krijgt standaard een automatische transmissie mee. In Europa heb je de 125 pk turbodiesel alleen als stationwagon; in Amerika kun je hem in alle carrosserievarianten krijgen, zelfs als coupé. Vanaf najaar 1983 kun je de 230E met een katalysator bestellen en moet je loodvrije benzine tanken. Ondertussen experimenteert Mercedes flink met alternatieven. In 1982 krijgt een stationwagon een 41-pk elektromotor met in de achterbak een 600 kg zwaar nikkel-ijzer-accupakket. Twee jaar later test Mercedes met een 280 TE op waterstof in de verbrandingsmotor. Ook rijden er prototypes rond op methanol en vloeibaar gas. Het blijft bij proefballonnetjes.
Welke uitvoering spreekt het meest tot de verbeelding?
Gedurende de tien jaar dat de 123-serie in productie is geweest, de laatste stationwagon loopt pas in januari 1986 in Bremen van de band, is Mercedes nooit echt uit de band gesprongen. De wildste versie is de 280E, met een zescilinder die tot april 1978 goed is voor 177 pk en daarna voor 185 pk. Wie meer wenst, kan zich richten tot veredelaars als AMG. De ideale W123 is in feite een exemplaar van na 1980; vanaf dat moment hebben de auto’s een roestbestendig koetswerk en optioneel ABS. Na de update in augustus 1982 verlagen nieuwe daksierlijsten het windgeruis, geven anders gevormde rugleuningen van de voorstoelen achterin meer beenruimte en zit er tegen meerprijs nu ook een airbag in het stuur. Vanaf juli 1981 zijn de zescilinders tegen bijbetaling verkrijgbaar met een vijfbak, een jaar later de andere motoriseringen ook. Voor de individualist is de coupé het overwegen waard, voor de allrounder wellicht de stationwagon met de optionele derde zitrij in de achterbak. De koppelrijke turbodiesel klinkt verleidelijk, maar we durven er geen binnenstad meer mee in. Dan blijft in feite alleen de 280E over, bij voorkeur met handgeschakelde vijfbak. Kortom, het meest tot de verbeelding spreekt een zo laat mogelijke 280 TE met zoveel mogelijk toeters en bellen.
Wat is de impact van de Mercedes-Benz W123 geweest?
De W123 is het absolute hoogtepunt van over-engineering, wat resulteert in een veel langere levensduur dan daarvoor gewoon was. Dit zet niet alleen concurrenten BMW en Audi aan het werk om relevant te blijven; Mercedes zelf struikelt bijna, omdat het zijn eigen hoge kwaliteitsstandaard in latere jaren niet meer kan waarmaken. Denk bijvoorbeeld aan de roestgevoeligheid of elektronische malheur bij latere generaties. Het verkoopsucces van de W123, met 2,7 miljoen exemplaren de best verkochte Mercedes tot dan toe, draagt bij aan genoeg financiële armslag om de veel complexere 190 en W124 te kunnen ontwikkelen. Niet onbelangrijk: de 123-serie heeft nieuwe techniek die eerder aan de S-klasse was voorbehouden bereikbaar gemaakt voor een veel breder publiek. Denk bijvoorbeeld aan airbags en ABS, maar ook aan kreukelzones en de veiligheidsstuurkolom.
Hoeveel zijn er nog?
Onze cijferleverancier meldt dat er op het moment van schrijven bij elkaar nog altijd 5.787 exemplaren van de 123-serie in Nederland geregistreerd staan. Dat is niet gering. Het zijn er bijna net zo veel als er in 1983 nieuw zijn geregistreerd; in dat jaar komen er 5.892 exemplaren in Nederland op kenteken. Daarna zakt de verkoop in. Met de komst van de 190 en een opvolger in aantocht worden er in 1984 nog maar 3.699 stuks verkocht. Van de 5.787 die momenteel nog geregistreerd staan, zijn er 3.946 een W123, de reguliere vierdeurs sedan. Op de tweede plek staat de coupé. Daarvan hebben we er nog 1.004 in de nationale vloot. Van de stationwagons heeft nog altijd 781 een kenteken. Van de V123 met zijn lange wielbasis ziet het systeem er nog 41, hekkensluiter is de F123 met 15 exemplaren, dat zijn vooral ambulances en lijkwagens. De meeste auto’s stammen uit 1982; daarvan zijn er 967, en van een jaar jonger zijn het er nog 735. Hoewel de productie dan alweer even gestaakt is, zijn er nog één coupé en één stationwagon die pas in 1988 voor het eerst zijn geregistreerd. De jongste registratie van een sedan is in 1987 geweest.
Wat kost een Mercedes-Benz W123 50 jaar later nog? In ons occassionaanbod zie je dat dat voor een klassieke Mercedes reuze meevalt.



