Dat de Engelse auto-industrie op sterven na dood is, is een te betreuren feit. En omdat het zo betreurenswaardig is, wordt er niet zelden een poging gedaan om een roemrucht merk nieuw leven in te blazen. Denk aan Lotus. Of aan Westfield, dat sinds dit jaar een nieuwe eigenaar heeft.
Er was een tijd dat in Engeland iedereen met een schuur, wat vrije tijd en een hoop ambitie een automerk kon starten en dat niet zelden ook daadwerkelijk deed. Vaak werd er dan gebruikgemaakt van een bestaand model om te starten. Een van de merken die op die manier ontstonden, is het in 1982 opgerichte Westfield, dat in licentie de Lotussen 7 en 11 bouwde. Maar het bleef niet bij het bouwen van die auto; Westfield moderniseerde het toen al stokoude model ook en bracht later ook versies van de 7 uit met onder meer de motor uit een Suzuki Hayabusa motorfiets. Aan creativiteit geen gebrek kortom, maar dat mocht helaas niet baten. Het piepkleine sportwagenmerk kwijnde de afgelopen decennia weg en ging eerder dit jaar definitief op de fles. Of tenminste, in zijn oude vorm. Want waar een deurtje dichtgaat, gaat ook een deurtje open. Een deurtje met een Nederlands tintje. De eigenaar van het Nederlandse Driving-Fun.com, Peter Tunissen, ziet wel brood in het merk en kocht de restanten op met het idee om in het Duitse Meppen daadwerkelijk weer auto’s te gaan produceren.
De Westfield 11 met de nieuwe eigenaar Peter Tunissen uiterst rechts.
Verleden, heden en toekomst
Als we rondlopen op het circuit van Meppen, waar de productie moet gaan plaatsvinden, valt meteen op dat het merk duidelijk nog in de opstartfase zit. In een grote hal staan kisten met onderdelen en delen van een productielijn die ooit moet gaan draaien. En er staat in de pitstraat een stokoude Westfield XI met daarnaast de altijd enthousiaste Kees Prins, die namens Westfield het woord voert. Hij legt uit hoe het idee is ontstaan: “Mijn collega Peter racet in de Westfield Cup en heeft in zijn enthousiasme nog weleens moeite om de auto op de baan te houden. Dat is op zich niet zo’n probleem, maar het krijgen van reserveonderdelen werd dat wel. Dat liep op zijn einde, omdat de fabriek vrijwillig is gestopt. Omdat Peter in de Cup racet, weet hij dat er vraag is naar onderdelen en dat daar dus een kans ligt. Daarom hebben we besloten om daar in te stappen.”
Toch blijft het niet bij raceauto’s, want de klassieke Westfield 11 die op het circuit staat, is voorzien van een kenteken. “Dit is natuurlijk een mega-sexy model en dit willen we ook weer gaan bouwen”, legt Prins uit. “We hebben wel de wens om een wat grotere en wat modernere motor erin te leggen. In dit exemplaar ligt nog een 1,3-liter uit de oude Mini met ongeveer 65 pk. En dus carburateurs, wat betekent dat het in de winter of in de bergen allemaal niet optimaal is. Alleen al de overgang naar injectie zou wel wenselijk zijn.”
Daarbij moet het vervolgens niet blijven, legt Kees uit. “We hebben wensen en dromen en ik denk dat het belangrijkste is dat we klanten hebben. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar DeTomaso, die een nieuw model presenteren en binnen 72 uur zijn alle geplande exemplaren verkocht en betaald. Dat betekent dat er vraag is naar dit soort sportwagens en dat de markt niet slaapt. De belangrijkste ingrediënten zijn denk ik onderscheidend design en een merk met historie. Daarnaast willen wij ons echt richten op naturally aspirated, dus geen turbo’s of compressoren, handgeschakeld, geen ABS, geen hulpmiddelen. Gewoon het echte, pure autorijden”.
Het idee om Westfield over te nemen komt voort uit de wens om de onderdelenvoorziening voor de Westfield Cup te continueren.
Ouderwets genieten
Om dat ouderwetse, pure autorijden eens te ervaren, biedt Kees ons aan om een rondje over het circuit te rijden met de klassieke 11. Dat laten we ons geen twee keer zeggen en hoewel het de nodige lenigheid en geduld vergt om aan boord te komen, zit je vervolgens wel goed. Dat is meer een kwestie van geluk, want enige verstelbaarheid in stoel of stuur ontbreekt vooralsnog. Met wat geduld en aanmoediging komt de stokoude 1,3-liter viercilinder tot leven en hoewel de bediening van elk element naar moderne maatstaven enorm zwaar gaat wegens het ontbreken van bekrachtiging, rolt de 11 vervolgens makkelijk de pitstraat uit en het circuit op.
Het minuscule gewicht van nog geen 500 kilo helpt daar ook bij. Het maakt dan ook niet veel uit dat de 11 maar 65 pk heeft; het is enorm leuk spelen met de kleine sportwagen. Daarbij willen we uit respect voor de techniek (en de twintig jaar oude banden) ook niet tot het uiterste gaan. Dat vraagt de motor ook niet. Het beste van de 1.3 zit in het middengebied en boven de 5.000 toeren raakt de vierpitter al snel buiten adem. Flink poken met de vierbak dus, die met wat kracht maar ook heel veel gevoel door het patroon heen gaat. Sturen gaat direct en onbekrachtigd, alles loopt over van het gevoel. Ja, het is enorm hard werken en na een half uur ben je helemaal kapot. Maar je voelt je ook onoverwinnelijk goed, want je hebt het wel allemaal zelf gedaan.
Precies dat gevoel van voldoening hopen de nieuwe eigenaren van Westfield dan ook in nieuwe modellen te kunnen inbakken. Maar dan dus met prestaties die wat meer aansluiten bij de eisen van de 21e eeuwse, vermogende klant. Het is een vijver waarin momenteel veel wordt gevist, al heeft de nieuwe eigenaar wel het voordeel dat ze een eigen testbaan hebben in de vorm van Circuit Meppen. Dus wie weet kunnen we over een tijdje wel rijden in een Engelse auto, die in Duitsland wordt gebouwd door een Nederlandse eigenaar. Lekker multicultureel. Dat is alvast helemaal van de 21e eeuw.



