Hoewel Volvo geen traditie van grote coupés heeft, introduceert het merk op de salon van Genève in 1977 zo’n carrosserievariant op basis van de 260. Met de zescilinder PRV-motor, gezamenlijk ontwikkeld door Peugeot, Renault en Volvo. Peugeot monteert die krachtbron dan al twee jaar in de bestaande 504 Coupé. Ondanks het gedeelde hart levert dat twee zeer verschillende auto’s op. Welke wil je liever hebben?
Vriend en vijand zijn verrast als Volvo tweeënhalf jaar na de introductie van de 200-serie met een coupéversie van dat model op de proppen komt. Tot dan toe had het Zweedse merk nooit een coupé in dit marktsegment gehad. De P1800 was weliswaar een fraaie coupé geweest, maar die was een paar maten kleiner.
Volvo kwam op idee coupé door Lincoln Continental Mk IV
Hoe was Volvo op het idee gekomen voor een 262 C, zoals de modelvariant heette? Dat schijnt door een bezoek van Henry Ford II te zijn gekomen, halverwege de jaren 70. De CEO van de Amerikaanse Ford Motor Company, kleinzoon van de oprichter, had voor zijn persoonlijk vervoer een Lincoln Continental Mk IV meegenomen, een grote, langgerekte coupé. Die had veel belangstelling gewekt bij de Volvo-directie en hen kennelijk op het idee gebracht om iets vergelijkbaars te gaan maken, vooral voor de Amerikaanse markt.
Huisdesigner Jan Wilsgaard ontwerpt de coupé en carrosseriebouwer Coggiola in Turijn krijgt de opdracht een prototype te bouwen op basis van een Volvo 164. Dat geschiedt vooral door de achterportieren te verwijderen en het dak te verlagen. Het resultaat is een gestrekte coupé die het silhouet van de Lincoln Continental Mk IV aardig benadert.
Productie coupé bij Bertone
Omdat Volvo geen capaciteit heeft voor de bouw van een kleine serie coupés, wordt de productie uitbesteed aan Bertone, dat daar wel de faciliteiten voor heeft. Voortbordurend op kennis die is opgedaan bij de bouw van het eerste prototype vervaardigt Bertone eerst een definitief prototype, nu met de Volvo 264 als basis. Van die sedan worden bij de productie de aandrijflijn, bodemplaat, wielophanging en veel plaatwerkdelen ongewijzigd overgenomen. Het dak wordt tien centimeter verlaagd en daarvoor moeten de voorruit, de dakstijlen en de portieren bij Bertone worden aangepast.
Omdat het model op de Amerikaanse markt gericht is, omvat de standaarduitrusting allerlei luxe voorzieningen, zoals airco, leren bekleding, cruisecontrol, stuurbekrachtiging, centrale deurvergrendeling, elektrische bediening voor de ruiten, de buitenspiegels en de antenne, houtinleg op het dashboard, verwarmbare voorstoelen en lichtmetalen wielen. Naar keuze wordt een handgeschakelde vierversnellingsbak met overdrive of (zonder meerprijs) een Borg-Warner drietraps automaat gemonteerd. Eén van de weinige opties is een limited-slip differentieel.
PRV-motor
Bij zijn introductie is de 262 C voorzien van de 2,7-liter zescilinder PRV-motor (B27 in Volvo-jargon), die samen met Peugeot en Renault is ontwikkeld en ook de Volvo 264 aandrijft.
De eerste twee jaar is de auto alleen leverbaar in grijs metallic met een zwart vinyl dak, pas daarna komen er mondjesmaat andere kleuren beschikbaar.
Zelfde motor, weinig concurrenten
Er zijn in die tijd niet veel andere grote coupés op de markt. Mercedes-Benz is met de 280C de gedoodverfde concurrent, maar ook Peugeot heeft een ruime coupé in de aanbieding, nota bene met dezelfde motor: de 504 Coupé V6. We onderzoeken hier hoe twee verschillende fabrikanten het bouwen van een coupé rond eenzelfde hart hebben ingevuld. Strikt genomen heeft Peugeot overigens niet ‘rond de motor’ gebouwd, want de 504 Coupé bestond al jaren – sinds 1969 zelfs. Alleen was de auto lange tijd voorzien van een viercilinder motor met mechanische injectie. De V6-carburateurmotor vervangt deze krachtbron pas sinds 1975, het jaar waarin de coupé stevig is gefacelift, zodat hij een fikse sprong in kwaliteit én prijs heeft gemaakt. De facelift is uiterlijk herkenbaar aan de dubbele koplampen die nu onder een doorlopend stuk glas zijn ondergebracht en aan de achterlichten, die in één unit zijn ondergebracht ter vervanging van de drie parallelle, schuinstaande stripjes van de eerste serie.
Peugeot 504 Coupé later ook weer met viercilinder
Maar de klanten morren. De verkopen krijgen een gevoelige knauw, niet alleen omdat het model zoveel duurder is geworden, maar ook omdat de V6 minder betrouwbaar blijkt en met een gemiddeld verbruik van één op vijf à zes veel dorstiger is. Bovendien was de tweeliter viercilinder al lekker soepel en levendig, zodat de noodzaak voor een V6 niet zo gevoeld wordt door de clientèle. In 1978 neemt Peugeot daarom de viercilinder weer op in het gamma. De V6 krijgt dan brandstofinjectie om het verbruik te drukken. Dat gaat naar gemiddeld één op negen, terwijl het vermogen stijgt van 136 naar 144 pk.
Peugeot gaat als de brandweer
In onze tijd is er weinig meer om ontevreden over te zijn. Wat gaat die Peugeot als de brandweer, zeg! Je kijkt nog maar naar het gaspedaal en hij gaat er al vandoor. En die dreigende, gesmoorde brom van de motor daarbij is prachtig. De drietraps automaat van GM schakelt keurig en nauwelijks merkbaar, het stuursysteem werkt licht en direct. Remmen is ook geen krachttoer en gaat al net zo effectief. De hele auto ademt lichtheid en comfort, maar met een kwajongensrandje. Want hij nodigt best uit tot gooi- en smijtwerk. Was de 504 TI sedan eerder al een openbaring (AutoWeek Classics 10, 2016), de Coupé V6 doet er nog een schepje bovenop. Daarbij zitten de comfortabele stoelen uitstekend en lekker laag, heb je prima zicht rondom en komt het lichtgekleurde interieur luxueus over. Fraai is het stuurwiel met geperforeerde spaken en het oude leeuwenkop-embleem. Het enige minpuntje vinden we het instrumentarium, dat precies hetzelfde is als in de sedan. Daar hadden we graag iets specialers gezien, want verder heeft de auto ook een eigen gezicht. Zie het schitterende uiterlijk dat nagenoeg tijdloos is dankzij het vakwerk van Pininfarina. Het onderstel van de sedan is speciaal 20 cm ingekort om de proporties van de coupé tot hun recht te laten komen.
Volvo 262C zo Amerikaans mogelijk
Dat laatste is bij de Volvo met opzet niet gebeurd. Want zo is dat langgerekte Amerikaanse uiterlijk verkregen, naast natuurlijk het verlagen van het dak. Het is voor Europese ogen een ongewoon silhouet dat even gewenning vraagt. Maar het heeft zeker wel wat, vinden we, vooral met dat zwart vinyl dak en het gedistingeerde embleem op de C-stijl. Ook de brede achterlichten passen er goed bij en geven de auto iets overdadigs en weelderigs. Open dan eens het kofferdeksel boven die lichten en je ziet nog een voordeel van het niet inkorten van het onderstel: hier gaat net zoveel bagage in als in een 200 sedan! En dat is niet weinig, iets meer dan 600 liter. Als we instappen en plaatsnemen op de comfortabele zetels, valt op dat we niet veel lager zitten dan in de sedan. Ook hier is het dashboard uit die versie overgenomen, maar met houtinleg op de portieren en zwart leer op de stoelen is toch gepoogd een exclusieve sfeer te creëren in het interieur. De rij vrolijk gekleurde tuimelschakelaars op de middenconsole doet daar wel wat afbreuk aan. Door de grote, hoog geplaatste voorstoelen, de donkere kleuren en het lage dak voel je je enigszins opgesloten, wat overigens niet terecht is. Er is ruimte genoeg. Het rijkarakter van de Volvo is het tegenovergestelde van dat van de Peugeot. Hier gaat alles juist indirect en met enige vertraging. Je moet het gaspedaal een flink stuk intrappen voordat er iets gebeurt, het stuurwiel moet tijdig verdraaid worden om de neus in de gewenste richting te dirigeren – de vergelijking met een boot dringt zich op – en de auto is niet erg overzichtelijk. Vooral schuin naar achteren toe wordt je zicht danig beperkt door de enorme C-stijlen. Dat de lange neus ver voorbij de voorwielen steekt, geeft een apart stuurkarakter aan de 200-serie. De vierkante neus zit steeds in beeld, dus je kunt wel zien wat er gebeurt als je stuurt, maar het lijkt alsof hij een eigen leven leidt. Voor je gevoel draaien de voorwielen eerst in en komt de neus er pas later achteraan. Maar de plaats van die voorwielen biedt wel als voordeel dat de draaicirkel van dit slagschip slechts 9,8 meter bedraagt tegen 10,6 meter voor de ruim een halve meter kortere Peugeot.
Volvo 262C
Peugeot 504 Coupé
In de Volvo komt de motor niet zo potent over
Niet alleen het uiterlijk, maar ook het rijkarakter kunnen we dus karakteriseren als behoorlijk Amerikaans. Het deinen van de Amerikaanse auto’s uit die tijd ontbreekt gelukkig. En het remmen verloopt ook Europees krachtig. Al met al is de auto dus prima afgestemd op de markt waarvoor hij bedoeld was. Maar wacht even: hoe doet de motor het eigenlijk? Amerikaanse auto’s hebben in die tijd een overdaad aan koppel en altijd een V8. Een concurrent is bijvoorbeeld de Cadillac Eldorado coupé met minimaal een 5,7-liter V8. Daarbij steekt de Volvo met zijn 2,7-liter V6 toch wel bleekjes af. Maar goed, een andere concurrent, de Mercedes-Benz 280 CE, biedt een vergelijkbare cilinderinhoud. Toch vinden we ook voor Europese begrippen de Volvo-krachtbron niet erg potent of levendig. Hij komt er wel, maar heeft even tijd nodig. Het contrast met de Peugeot kan haast niet alleen door de 120 kilo extra gewicht verklaard worden, maar is wel opvallend.
Overigens heeft deze 262 C niet meer zijn originele PRV-motor. De eigenaar heeft er zoveel mee te stellen gehad, dat hij hem heeft laten vervangen door een latere V6 uit de 760. Ook dat is een PRV-motor, maar dan zonder de kinderziektes .
Niet vaak hebben we zulke uiteenlopende rijkarakters in een dubbeltest gehad. Dat is des te opvallender als je weet dat ze dezelfde motor hebben. Houd je van een Amerikaans karakter en prettig onthaasten in een aangename ambiance, dan is de Volvo jouw auto. Mag het daarentegen allemaal wat levendiger en directer, terwijl je toch met comfort wordt omringd, dan heb je een heel fijne speelkameraad aan de Peugeot. Wij bekennen het ruiterlijk: we vallen als een blok voor de charmes van de Fransman.
Technische gegevens
Volvo 262 C (1977-1981)
Motor V6, 90 graden, inj.
Cilinderinhoud 2.664 cc
Max. vermogen 109 kW (148 pk)
bij 5.700 tpm
Max. koppel 218 Nm
bij 3.000 tpm
Aandrijving achterwielen
Aantal versnellingen 4 handgesch. of 3-traps aut.
Wielophanging v/a onafh. met schroefveren, stab./
starre as m panhardstang
Remmen v/a schijfremmen rondom
Afmetingen (l x b x h) 4,89 1,71 x 1,37 m
Wielbasis 2,64 m
Gewicht 1.420 kg
Topsnelheid 180 km/h
0-100 km/h 13,0 s
Vanafprijs (1979) €26.274
Foto's Fons Klappe
Dit verhaal is eerder gepubliceerd in AutoWeek Classics, toen hebben we ook deze video gemaakt.
Peugeot 504 Coupé V6 (1975-77)
Motor V6, 90 graden, 2 carb.
Cilinderinhoud 2.664 cc
Max. vermogen 100 kW (136 pk)
bij 5.750 tpm
Max. koppel 206 Nm
bij 3.500 tpm
Aandrijving achterwielen
Aantal versnellingen 4 handgesch. of 3-traps aut.
Wielophanging v/a onafh. m. schroefveren en stab. rondom
Remmen v/a schijfremmen rondom
Afmetingen (l x b x h) 4,36 x 1,70 x 1,35 m
Wielbasis 2,55 m
Gewicht 1.300 kg
Topsnelheid 186 km/h
0-100 km/h 10,5 s
Vanafprijs (1979) €18.684
Geschiedenis Volvo 262 C (1977-1981)
Op de salon van Genève stelt Volvo de 262 C voor, een luxe coupé die vooral bestemd is voor de VS. Hij is in eigen huis ontworpen, maar wordt gebouwd bij Bertone. Als krachtbron dient de 2,7-liter PRV-motor die kort daarvoor samen met Peugeot en Renault is ontwikkeld. Die motor was oorspronkelijk bedoeld als V8, maar wegens de oliecrisis tijdens de ontwikkeling hadden de drie samenwerkende fabrikanten besloten het blok twee cilinders korter te maken. De blokhoek van 90 graden, ideaal voor een V8, was echter gehandhaafd gebleven. Om die reden loopt de motor enigszins rauw, want voor een V6 is een hoek van 60 graden ideaal. In de Volvo levert hij 140 pk, maar al na een jaar later wordt het vermogen verhoogd naar 148 pk. In 1980 wordt de cilinderinhoud opgeboord tot 2,8 liter (2.849 cc) en krijgt de krukas zeven in plaats van vier lagers. Bovendien wordt de compressieverhouding verhoogd van 8,2:1 naar 8,8:1. De resulterende B28 levert 155 pk. Voor modeljaar 1980 wordt het model gefacelift. De meest in het oog springende wijzigingen betreffen ‘wrap-around’ achterlichten (net als bij de sedan), een ander kofferdeksel en gewijzigde bumpers en koplampen. Verder is het dashboard herzien en wordt standaard een thermostatisch geregelde airco gemonteerd. Tevens komen – na zilvergrijs en goud metallic – de kleuren lichtblauw metallic, bruin en zwart in het palet, naar keuze in combinatie met vinyl dakbekleding. Er is ook een two-toneversie te bestellen, maar daarvan maken slechts 18 klanten gebruik.
Er worden in totaal 6.622 exemplaren gebouwd, waarvan het merendeel in de VS. Daar moest hij het vooral opnemen tegen de Cadillac Eldorado Coupe en Mercedes-Benz 280 CE (W123). In 1981 gaat de 262 C uit productie, de opvolger 780 komt pas in 1985.
Onderdelen die Volvo ook voor de rest van de modellenreeks gebruikte, zijn nog goed verkrijgbaar, onderdelen die speciaal voor de coupé zijn vervaardigd, met name het interieur en specifieke plaatwerkdelen dus, zijn nauwelijks meer te krijgen.
Geschiedenis Peugeot 504 Coupé (1969-1983)
De 504 Coupé ziet in 1969 het levenslicht, voorzien van een 1,8-liter viercilinder met Kugelfischer injectie. Het ontwerp is van Pininfarina, dat ook de sedan heeft getekend en al jaren tal van Peugeots heeft (mede-)ontworpen. Vanaf 1971 wordt een 2,0-liter viercilinder gemonteerd met dit injectiesysteem. In 1975 krijgt het model een ingrijpende facelift, bij welke gelegenheid de motor wordt vervangen door de V6, die samen met Renault en Volvo is ontwikkeld en ook de 604 aandrijft. Dat stuit op weerstand bij de klanten, die het verbruik van de V6 onacceptabel hoog vinden. Bovendien blijkt de V6 niet zo probleemloos als de viercilinder. Daarom besluit Peugeot in 1978 ook de viercilinder weer te leveren en tegelijk de V6 te voorzien van Bosch K-Jetronic injectie om het verbruik te temperen. Behalve de handgeschakelde vierbak wordt nu een vijfbak leverbaar voor de V6 (naast de automaat), maar de viercilindermotoren houden de vierbak.
In 1980 volgt een lichte restyling, waarbij de grille wordt gewijzigd en de voorbumper verder om de hoek wordt doorgetrokken. Alle handgeschakelde versies krijgen nu standaard de vijfbak. Een jaar later krijgt alleen de V6-coupé andere lichtmetalen wielen ter onderscheid van de viercilinder.
De productie eindigt in augustus 1983. Opvolger is de 406 Coupé, maar die komt pas in 1997. Er valt dus een gat van 14 jaar. Van de V6-coupé zijn 4.472 exemplaren vervaardigd met carburateurmotor en 1.457 met injectie; samen dus 5.929. Hoe exclusief wil je het hebben? Van de viercilinders zijn overigens 20.547 exemplaren gebouwd, waarmee het totaal aantal coupés op 26.476 komt.
Met de Coupé V6 zijn diverse rally’s gewonnen, waarvan er twee meetelden voor het WRC: de Safari Rally in 1978 (Nicolas-Lefebvre) en de Rally Bandama, Ivoorkust van hetzelfde jaar (Nicolas-Gamet).
