Handig, zo'n piepje dat aangeeft hoe dicht je met je auto bij een muurtje, lantaarnpaal of geparkeerde auto staat. Een camera brengt het ook nog eens fraai in beeld. Van de Nederlandse automobilisten kan één op de vijf niet meer parkeren zonder deze hulpsystemen.
Nederlandse parkeervakken zijn lang niet altijd zo ruim, terwijl auto's veelal bij elke generatiewissel weer een maatje groeien. Het is dus niet zo gek dat veel automobilisten maar wat blij zijn met hun parkeersensoren of (achteruitrij-)camera. De Nederlandse automobilist vertrouwt er tijdens het inparkeren zo sterk op, dat een storing in een van de systemen tot flinke problemen kan leiden. 18 procent van de Nederlanders geeft aan niet zonder achteruitrijcamera of parkeersensoren te kunnen inparkeren. Dat blijkt uit door Markteffect in opdracht van Marktplaats uitgevoerd onderzoek onder 1.000 Nederlanders.
19 procent van de ondervraagden geeft aan weleens twee parkeervakken te gebruiken om zich meer ruimte te geven. Of dit komt doordat de auto te groot is voor het vak of doordat naastgelegen auto's niet netjes binnen de lijnen staan, is niet bekend. Wel bekend: bijna een derde van de ondervraagden geeft aan weleens heel gefrustreerd te raken als parkeren niet lukt.
Schokkender is het feit dat 15 procent van de ondervraagden, zo'n één op de zeven dus, aangeeft weleens te zijn doorgereden na een kras of deuk te hebben veroorzaakt bij een andere auto. Mannen doen dat bijna twee keer zo vaak als vrouwen. Bijna één op de vijf (19 procent) van de mannelijke ondervraagden zegt dit weleens te hebben gedaan, versus 11 procent van de vrouwen.
Meer interessante cijfers: 37 procent van de ondervraagden ergert zich aan de geluiden die de vele rijhulpsystemen in auto's maken. 30 procent van de ondervraagden zet rijhulpsystemen uit als dat kan. Ook geeft 30 procent van de ondervraagden aan tijdens het rijden te vertrouwen op rijhulpsystemen. 17 procent van de ondervraagden vertrouwt het automatische remsysteem zelfs beter dan het eigen gevoel. Dat percentage ligt bij de groep 18-30-jarigen veel hoger (31 procent) dan bij 65+'ers (5 procent).
