Net als in de begindagen van de auto ontlenen veel merken tegenwoordig nog altijd hun herkenbaarheid aan hun grille, hoewel die minder noodzakelijk is dan toen. Uiteraard zijn er uitzonderingen die de regel bevestigen, zoals deze zeven met toch hun motor voorin.
Volkswagen Passat (1988)
De derde generatie van de Passat moet het zonder grille stellen. Frisse lucht komt binnen door het VW-logo en via openingen onder de voorbumper, zelfs als er een zescilinder moet worden gekoeld. Volkswagen deed het natuurlijk al eerder, met de luchtgekoelde auto's. Behalve de Kever moet je dan bijvoorbeeld denken aan de 1600, ook wel bekend als de neusbeer, net als deze Passat trouwens.
Citroën DS (1955)
In tegenstelling tot zijn voorganger, de Traction Avant met zijn majestueuze grille, heeft de Snoek slechts een gleuf tussen motorkap en voorbumper.
Rover SD1 (1976)
Net als de Ferrari Daytona, waarop het design van de Rover SD1 is geïnspireerd, heeft de Engelse fastback ook geen grille. Hoe anders is dat bij de XJ van toenmalig concerngenoot Jaguar.
Renault 40 CV Torpedo (1922)
Kenmerkend voor de auto’s uit Renaults begindagen is de dichte voorkant. De koelradiateur staat achter de motor, tegen het schutbord. Daarom zitten er aan de zijkant van de motorkap een reeks louvres.
Tatra 11 (1923)
Bij de Tatra’s met de motor achterin was een dichte neus, net als bij de Volkswagens, iets vanzelfsprekends. Toch heeft de Tatra 11 de motor voorin en evengoed een gesloten front.
Opel GT (1968)
Net als bij de auto waarop de Opel GT is geïnspireerd, de Chevrolet Corvette, biedt het gestroomlijnde ontwerp geen ruimte voor een grille.
Mercury Sable (1986)
Tussen de koplampen van de Mercury Sable zit geen grille, maar een lichtbak. Overigens heeft de nauw verwante Ford Taurus evenmin een grille, maar moet die het zonder de extra verlichting stellen.






