Ik reed de Panamera, eindelijk. Een Porsche, en toch stil. Hoe vreemd. Er zijn wel meer stille Porsches, maar de Cayenne is geen sportwagen. De Panamera S die ik reed pretendeert met enig recht dat wel te zijn. Een top van 283 en een acceleratie naar 100 in 5,4 seconden zijn tenslotte geen misselijke argumenten, al weegt hij minimaal 1.775 kilo en tart hij de regels van het spel met vier deuren, vier echte stoelen, een koets van nipt vijf meter en een kofferbak. Druk de sportknop in en je zou zweren dat je 911 reed, zo strak.
Maar wat hoor je? Geen vuile boxergrom. Een verre achtcilinder die zich alleen laat horen als je boos genoeg bent om hem kwaad te willen krijgen. De geluidsmetingen van de AutoWeek-collega's leveren bovenklassewaarden op. Zorgwekkende toestand. Een Porsche wil je horen.
Toch is hij niet waar ik zo bang voor was, een chauffeursauto in trainingspak. Hij is onvergelijkbaar met een S-klasse of A8. Dat is niet omdat je lager zit en je tegen een 911-achtige klokkenwinkel aankijkt, of omdat de stoelen voor en achter echte Porsche-kuipen zijn.
De eenmaligheid van de Panamera zit 'm in het soort geruisloosheid. De stilte in de Panamera is geen reine, zakelijke stilte, maar iets dat als een donderwolk in de cabine hangt. Er kruipt een ongelofelijke spanning in de rust aan boord, iets bedrieglijks. Is dat suggestie, omdat je weet wat er onder de kap zit? Dat weet je van een S500 ook, en toch voel je het niet; in een Maserati Quattroporte met vergelijkbare prestaties evenmin. Dat blijven limo's. Vraag niet hoe ze het bij Porsche geflikt hebben, maar deze Porsche voelt aan als een vulkaan vlak voor de uitbarsting. Luister maar goed: steeds een vaag, dreigend gerommel in het hart van de berg. Nieuwe ervaring, vreemde auto. Eerst begreep ik hem niet, nu des te beter. Hij is dus toch de eerste in zijn soort.

