De Jaguar XF komt als viercilinder diesel. Voor de Mercedes S-klasse en de Audi A8 bestaan ook viercilinderplannen, schijnt het. De downsizetrend krijgt na het kleine grut de auto-adel in de greep.
Ik heb geen standpunt, merk ik. In de klassieke strijd tussen gevoel en verstand ben ik even voor als tegen. Waarom geen vierpits-Jag, zou je zeggen, als die de kracht van old school zes- of achtcilinder combineert met een beschaafd verbruik en minimale CO2-emissies? Voor geluidsoverlast hoef je bij die moderne hyperdiesels evenmin te vrezen. Ze lopen als naaimachines. Een simpele tweeliter common rail geeft alles wat de veeleisende automobilist verlangt.
Of bijna alles, heb ik al een paar keer ondervonden. Bijvoorbeeld toen ik een dag rondreed in een BMW 320D coupe. De Freude am Fahren komt niks tekort. Fantastische motor, bergen koppel. Ik genoot. Toch klopt er iets niet. In een auto die voelt en rijdt als een sportwagen hoor je een leasediesel pruttelen. Doe mij maar een 330, dacht ik stiekem.
Net zo dubbelzinnig, oprecht verrast maar met hetzelfde voorbehoud, was ik recentelijk enthousiast over de Volvo S80 1.6D. 109 paarden en een Focus-koppel van, wat is het, 240 Newtonmeter. Lach maar. De truc werkt. Op kruissnelheid is hij waarschijnlijk stiller dan een D5. Met een beetje moeite haal je een op twintig. Over een top van 190 zou ik als dieselrijder heus niet klagen. Alleen die brakke ochtendreutel blijft ontluisterend. Mietje, dacht de Bavaria-man in mij.
Het is een volstrekt irrationeel verwijt aan een auto die perfect in zijn soort is. Na een kwartier hoor je niet eens meer dat je diesel rijdt. Maar gevoel is gevoel, daar hoort nu eenmaal een bepaald geluid bij. Het is geen harden grote jongens zo pietluttig op de kleintjes te zien letten. Helaas zijn veel emoties onverdedigbaar. Het verstand heeft altijd gelijk.
Wat zijn we nuchter geworden.

