Mijmerend door het Alfa Romeo-museum
Aan de onthulling van de Giulia was een uitje vastgeplakt waar ik nog meer naar uitzag; een excursie naar het Alfa Romeo Museum in Milaan. De hemel op aarde voor de fans van Italiaans design en dus van Alfa.
Ze staan er allemaal, de 6C's en 8C's, de Montreal, de eerste Giulia's en Giulietta's, die krankzinnige 1900 C52 Disco Volante. En nog heel behoorlijk gepresenteerd ook, in een van buiten foeilelijk gebouw met vier verdiepingen. Van de kelder vol racewagens voert via het centrale trappenhuis je stairway to heaven, waar de voor- en naoorlogse iconen wachten.
Onderweg vraag ik me af met welke trefwoorden ik een echte Italiaan zou taggen. Een kanshebber is 'slank'. Slank in de zin van rank en delicaat, gracieuze kwetsbaarheid die vals onschuldig afsteekt bij het vuur onder de kap. Bij de oldtimers de dunne bumpertjes, fragiele chroomrandjes, houten stuur met dunne spaken; bij de jongere modellen het frivole, licht bizarre dat een Duitse fabrikant niet aandurft, neem de 156. Wat een geslaagde Alfa zo mateloos aantrekkelijk maakt is wat wij kaaskoppen jaloers verfijning noemen en de begeerte opwekt naar de elegantie die we van nature missen.
Dikke Italianen lukken minder vaak, met de Lancia Gamma Coupé, Alfa 164 en Lambo Gallardo als belangrijkste uitzonderingen; een Ferrari Testarossa is in vergelijking met de heerlijke 250 GTO een homp dood vlees. Je wilt ze kleiner en een tikje petieterig, con delicatezza. Geen sportwagen komt dichterbij dat ideaal dan een Ferrari Dino 246. Een Fiat X 1/9 scoort hoog, al was het troep, maar kwaliteit mag nooit de maatstaf zijn voor een esthetisch oordeel.
De stelling wankelt toch een beetje na verbluffende ontmoetingen met de babyblauwe 8C 2900 B Lungo van 1938, de zwarte 6C 2500 Sport van een jaar later of de 6C Sport Villa d'Este van 1950. Enorme auto's en dromen op wielen, door een verliefde Rembrandt met een penseel van engelenhaar getekend. De aap die met zo'n schip achter de vrouwen aangaat, krijgt ze allemaal.
Blijft staan dat die mondaine reuzen nooit de lichtheid en de mooie eenvoud van de kleintjes hebben, zowel de sportwagens als de sedans. De 6C 1750, de 8C 2300 Corto, de 1900 en de 1900 Super Sprint, zelfs de nederige Giulietta van 1950, de GT's en GTV's uit de jaren zestig en zeventig – ze halen als een goede pasta met maar drie ingrediënten alles uit hun schaarse lijnen. Ik vermoed dat dat een deel van hun geheim is; de wigvormige Alfetta heeft het wel, de barokke 75 net niet, over de fraaie GTV houd ik twijfels. Ik blijf de mening toegedaan dat Alfa worstelt met zijn grote maten. De ietwat week gelijnde 2600 Sprint legt het als statement af tegen de bitsige kordaatheid van de eerste Giulia. In de Montreal proef ik een zweem van lamlendigheid, hoe ik hem ook bewonder.
Waar de hier veelbesproken nieuwe Giulia in dat spectrum staat, zou ik nog niet kunnen zeggen, ik houd mijn kruit nog even droog. Intussen jank ik hete tranen om het onrecht dat ik nooit die blauwe Lungo zal bezitten. Was beleggingsspecialist geworden, sukkel!

Bas van Putten
Columnist/Schrijver
Bas van Putten is schrijver en columnist voor diverse kranten en tijdschriften. Zijn wortels liggen in de muziek, maar zijn hart gaat al jaren uit naar auto's.
Lees ook

Weblog Joas - Schuif nou eens op naar rechts!

Weblog Frank: Brandstofprijzen verlagen is als in je broek plassen

Weblog Jan: Stop de kitsch

Weblog Marc - Zijn achterlichten echt zinvol bij mist overdag?
