Echte Opels
Misschien ben ik van de oude stempel. Maar als ik een Vectra Stationwagon van de laatste generatie zie rijden denk ik telkens weer: da's nog een echte Opel. Een lel van een auto, een brok no-nonsense op wielen dat een en al onverzettelijkheid uitstraalt. Een model zonder kapsones en premium ambities dat gewoon bedoeld is waarvoor een middenklasser ooit bedoeld is, als praktisch vervoermiddel voor de handelsreiziger en niet als ego vergrotende blingblingkar voor de accountmanager.
Zeker de versie van voor de facelift vind ik sympathiek. Wat nou lifestyle? Gewoon kilometers vreten, met veel mensen en veel bagage aan boord.
Voor mij is dat waar Opel altijd voor stond. Je maakt misschien wel niet de blits met zo'n auto maar als berijder ben je er hartstikke tevreden over. Ik heb dat 'echte Opel-gevoel' ook als ik een Omega Stationwagon zie rijden. Meteen komt die vakantie van twaalf jaar geleden boven, toen ik met zo'n sloep op vakantie naar Toscane ging. Heerlijke auto, voorzien van een 2.2 DTI. Geen snelle diesel maar wel vlot genoeg om 195 km/h op de teller te krijgen op de Autobahn en een auto die me verder in alle comfort en rust via Zwitserland naar de schitterende streek bracht. De reis was dan wel veel stijlvoller geweest per Alfa 156 SW of Lancia Lybra SW maar nuchter als ik ben maakte ik 'm met zo'n degelijke dikke Opel.
Mijn nostalgische gevoelens jegens Opel komen ongetwijfeld voort uit het feit dat ik als jongetje vele uren in Ascona's B heb doorgebracht en dat naast die middenklasser van toen weer de Rekord Caravan van de buurman stond.
Werkpaarden voor hardwerkende mensen. Het zijn de modellen die Opel grootgemaakt hebben.

Stephan Vermeulen
Coördinator Tests
Na 20 jaar bij AutoWeek zo’n beetje alles wel gedaan en meegemaakt. Sinds 2012 chef redactie maar streeft er nog altijd naar om tien procent van zijn werk te laten bestaan uit bezigheden met auto’s zelf. Da’s tenslotte toch de reden dat -ie dit werk is gaan doen. Passie voor auto’s van kleins af aan, spelde op zijn twaalfde testjaarboeken, kocht de eerste AutoWeek een paar dagen voor zijn dertiende verjaardag van zijn zakgeld. Jawel, dat ene nummer dat in januari 1990 voor een gulden in de winkel lag. De oorzaak van dat velen nog denken dat AutoWeek de eerste jaren altijd een gulden kostte, maar op de tweede stond toch echt een prijs van Hfl. 1,95! Dat hij twaalf jaar later zelf in dienst zou treden bij het autoblad had hij nooit gedacht. Na de middelbare school bracht de opleiding HEAO-economisch linguistisch, zeg maar een soort CE met extra aandacht voor vreemde talen, hem bij de BMW-importeur, en later die van Opel. Een carrière in de autobranche was het beoogde pad, maar het liep anders. Eind 1999 zocht een journalistiek bureau een autoredacteur, en zo kwam hij terecht in de autojournalistiek. Iets meer dan twee jaar later was daar de overstap naar AutoWeek. Tests, nieuws, bijdrages aan de occasionrubriek en een jaar later ook in bezit van een racelicentie. Twintig jaar bij een werkgever, het is iets dat niet meer van deze tijd lijkt maar sowieso is het werk door de jaren heen zo vaak veranderd dat je bijna geen jaar hetzelfde doet qua werk. En de veranderingen in autoland gaan momenteel sneller dan ooit, dus ook dat maakt de werkzaamheden anders. Sinds 2021 naast chef redactie ook coordinator online.