Afgelopen dinsdagavond, zomaar spontaan met een paar vrienden een hapje eten in een restaurant in de buurt. Het wordt Resto Valduc in het Belgische Hamme-Mille. Een hedendaags Checkpoint Charlie in het no man's land van de taalgrens, net bungelend aan de Franstalige kant. Met een eenvoudige, doch goede keuken. En daarom ook op deze doordeweekse avond bomvol. Dus ook de parkeerplaats. Maar een Belg die zijn trog ruikt, laat zich daar niet door afschrikken; het trottoir wordt gewoon volgeplempt.
Dan gaat de deur open, en het gerinkel van bestek en geroezemoes van gesprekken verstommen snel. Een uniform met daarboven een snor die Chiel Montagne een levenslang minderwaardigheidscomplex zou bezorgen, tuurt streng de kleine, volle ruimte in. "Messieurs-dames!", verbreekt hij de amper ingevallen stilte. "De volgende auto's staan fout geparkeerd. U heeft tien minuten tijd om elders te parkeren, daarna gaan we schrijven." De man somt vier kentekens op en legt nog even uit dat we twee straten verderop alle ruimte hebben. Hij wenst ons smakelijk eten en een prettige avond toe en verdwijnt weer net zo snel als hij is binnengekomen.
Mijn tafelgenoten morren iets over zeiksnorren, een ervan staat op en vist zijn autosleutel uit zijn zak. Ik zeg niks, maar denk aan de parkeerwachters in m'n vaderland, die als hijgende hyena's wachten tot ze hun slag kunnen slaan. Doe mij maar zo'n zeiksnor.

