Austin Cooper S - Mini voordat hij Mini heet met eerste versie Paddy's pretpakket
Diepe buiging voor exemplaar uit 1964
Om op te vreten, zo’n oude Mini. Sorry, Austin Seven. Nee, een Austin Cooper S. Die was in 1964, het bouwjaar van dit exemplaar, bijna twee keer zo duur als de Seven De Luxe. Een kleine tienduizend gulden mocht je naar de dealer overmaken, net zoveel als voor een Citroën ID19 of een BMW 1500.
Meer dan zestig jaar later zitten we achter het stuur van deze uit de kluiten gewassen skelter. Tegenwoordig hanteert Mini de term ‘go-kart feeling’ om de huidige generatie aan te prijzen, maar wil je dat stuurgevoel echt ervaren, dan is een vroege Cooper de enige optie. Niet lang na het debuut van de Austin Seven in 1959 opperde John Cooper bij Alec Issigonis het idee om een snellere versie te maken om deel te kunnen nemen aan de autosport. Na enig aandringen wist Cooper de directie van BMC te overtuigen van zijn plannen. De 848 cc metende viercilinder werd opgeboord naar 997 cc, waarmee het vermogen steeg naar 55 pk. In 1961 beleefde de eerste Austin Cooper zijn debuut. Niet alleen de grotere cilinderinhoud zorgt voor meer vermogen, de twee SU-carburateurs dragen ook hun steentje bij. De versnellingsbak is aangepast en de voorwielen kregen schijfremmen.
Monte Carlo: triomf en tragiek
Zo werd de Cooper doorontwikkeld tot de S, gepresenteerd in 1963. Die heeft een 1.071 cc-motor, later een 1.275 cc metende viercilinder. In 1964 neemt Mini deel aan de beroemde Rally Monte Carlo, met achter het stuur Patrick (Paddy) Hopkirk. En het ongelooflijke gebeurt: hij wint en laat auto’s als een Ford Falcon V8 en Mercedes-Benz 300 SE achter zich. In 1965 herhaalt de Fin Timo Mäkinen dit succes en dat doet hij feitelijk in 1966 weer. Inderdaad, feitelijk, want de nummers 1 tot en met 4 werden tot vrijwel ieders afgrijzen gediskwalificeerd. Roger Clark was tweede in zijn Ford Lotus Cortina, Rauno Aaltonen derde in een Mini en Paddy Hopkirk eindigde op de vierde plek. Totdat uit de reglementen bleek dat halogeenkoplampen niet waren toegestaan, ook al was aanvankelijk aangekondigd dat voor deze rally de oude regels gehanteerd zouden worden. En zo ging de zege naar een Citroën DS. Die reed ook met halogeen, maar volgens de wedstrijdleiding zijn sommige versies van die auto daar ook standaard mee geleverd. Een heel zure appel voor de Britse teams, die per direct opstapten en het officiële afsluitende diner niet hebben bijgewoond. In 1967 won Rauno Aaltonen alsnog met zijn Mini, een zoete wraak.
Vreemde zithouding
Hoe leuk is het om ruim zestig jaar na die historische rallyzege achter het stuur van een Cooper uit dat jaar te kruipen? In dit geval een exemplaar met Zweedse rallygeschiedenis, door BMC gebouwd en in 1964 geleverd aan de eerste eigenaar. Je torso moet vooral niet al te breed zijn, anders pas je niet in het smalle kuipje dat je vast in zijn greep houdt. Een lengte van 1,91 meter is echter geen probleem, wat maar weer eens het geniale karakter van dit concept onderstreept. Je zit weliswaar in een beetje vreemde houding en het stuur staat enigszins horizontaal, maar zonder nog maar een meter gereden te hebben, weet je al dat dit maximaal genieten wordt. De wielkasten steken ver het interieur in, wat een beperkte voetenruimte tot gevolg heeft. Het aluminium stuurwiel van Moto-Lita met houten rand en zichtbare klinknagels is een lust voor het oog. Recht daarachter zit de toerenteller en centraal in het dashboard de grote snelheidsmeter (tot 200 km/h!) met daarin de brandstofmeter. Meters voor de olietemperatuur en de koelvloeistof maken het instrumentarium compleet. Op het zilverkleurige gaspedaal staat een bekende naam: Paddy Hopkirk. Er is een wereld aan merchandise te koop, van balpennen tot jerrycans.
Nog geen 650 kilo
De motor in deze Cooper S is de originele waarmee hij destijds de fabriek uitreed. Er is dus sprake van matching numbers. Maar om de pret te verhogen, is hij door het in 1965 opgerichte Britse Swiftune onder handen genomen. Deze firma is een begrip in de wereld van klassieke Mini’s en inmiddels staat de tweede generatie aan het roer. Het 1.275 cc blokje dat wij de sporen mogen geven is goed voor circa 100 pk, niet gek voor een auto die nog geen 650 kg weegt. Hij heeft een andere nokkenas, grotere carburateurs, een lichter vliegwiel en een hogere compressieverhouding.
De startmotor heeft dat typische British Leyland-soundje, maar als de viercilinder eenmaal aanslaat, is elke gelijkenis met een gewone oude Mini subiet verdwenen. Een klein tikje op het Paddypedaal resulteert in een enthousiaste reactie en een formidabel uitlaatgeluid. Met de lange pook leggen we de eerste versnelling in en dan is het tijd voor actie. Je achterwerk zit een centimeter of vijftien boven het wegdek, de besturing gaat zwaar en direct, vering is er nauwelijks en de twee SU-carburateurs vlak achter het schutbord laten duidelijk horen dat ze veel behoefte hebben aan lucht.
Hard zonder hard te gaan
De kleine vierpitter klimt gretig in de toeren en de snelheidsbeleving is echt immens. Want nuchter beschouwd gaat het allemaal niet zo hard, maar zo voelt het wel. En zo klinkt het vooral. De vier zuigers ademen uit via een tamelijk open uitlaatsysteem, dan weet je ongeveer wel hoe dat brult. De echte winst pak je natuurlijk in bochten. Laag gewicht, laag zwaartepunt, korte wielbasis en de al genoemde harde vering zorgen voor het optimale skeltergevoel. En ook voor het gevoel van totale controle. Je bent binnen een uur al één met deze machine en het is verbazingwekkend hoe krankzinnig veel lol je kunt hebben met slechts 100 pk. Schuifraampjes open, voluit accelererend een tunneltje door, binnen de bebouwde kom een rotonde pakken zonder af te remmen, klaverblad met volgas; de kleine Cooper doet het met speels gemak. Tijdens het rijden flitsen de beelden door je hoofd van de Coopertjes die tijdens de races op Goodwood Revival het veel grotere auto’s verdraaid lastig maken. Je ziet ze driftend over alle vier de wielen op de randen van het asfalt de ene na de andere tegenstander verschalken. Maar we denken ook aan Paddy, Timo en Raunoo en maken een diepe buiging voor de klassieke Cooper.
Technische gegevens
Motor 4-cil. in lijn
Cilinderinhoud 1.275 cc
Max. vermogen 56 kW/76 pk bij 6.000 tpm
Max. koppel 108 Nm bij 3.000 tpm
Topsnelheid 154 km/h
0-100 km/h 12,0 s
Verbruik gem. 10,0 l/100 km
Dit bijzondere exemplaar met slechts 3.771 kilometer stond ten tijde van de proefrit voor €48.500 te koop.
RapportAandrijflijn Bijterige viercilinder met geweldige sound 9 |