Klassiekergids

BMW 3-serie (E21) (1975-1983)

    Print     Mail
Het jaar 1972 was belangrijk voor BMW: de eerste 5-serie werd geïntroduceerd. Die auto stond model voor de toekomst van het merk, want de eerste 3-serie die in 1975 volgde was in feite een verkleinde versie van die auto. Tegen die tijd waren de ingenieurs van BMW overigens al jaren bezig, want naar verluidt was men al in 1970 aan de 3-serie – intern E21 genaamd - begonnen. Die lange ontwikkelingstijd zat ‘m met name in de hoge eisen die BMW zichzelf had opgelegd. Zo moest deze auto nieuwe maatstaven zetten op gebied van veiligheid en weggedrag. Dat lukte overigens goed, want dankzij kreukelzones presteerde de 3-serie goed in de crashtests en dankzij zijn onafhankelijke wielophanging op de weg. Wel was de auto vrij zwaar geworden, maar daarvoor had BMW de nodige stevige motoren uit de kast getrokken.
De 316, 318, 320 en 320i hadden stuk voor stuk viercilinders, variërend van 90 tot 125 pk. Het voornaamste uiterlijke verschil zat ‘m in de dubbele ronde koplampen van de beide 320’s. Al met al werd de auto goed ontvangen, al omschreven diverse media het ontwerp wel als saai. Vanaf september 1977 zijn de 320 en 320i uitgerust met een zescilinder lijnmotor, en komt er ook de 323i, eveneens met zes-in-lijn (143 pk). Een door BMW zelf opgevoerde versie - een M3 - was er toen nog niet, maar voor klanten die zoiets toch zochten bood huistuner Alpina verschillende snelle uitvoeringen. Als basis werd altijd de 320i en de 323i gebruikt. Vanaf 1977 was er ook een cabriolet van Baur, al was eigenlijk geen echte cabrio. Want de zijramen bleven altijd staan, inclusief a-, b- en c-stijl en waren met elkaar verbonden door een rolbeugel. Vanaf 1980 is er de zuinigere 315 (1.573 cc viercilinder; 75 pk). Tussen 1975 en 1983 werden er in totaal 1.368.634 exemplaren gebouwd. Veel van de Nederlandse E21’s zijn inmiddels in handen gevallen van circuitgangers die vooral de combinatie van degelijkheid en achterwielaandrijving aansprak.