Slideshow

Doorzaag-zaterdag: Daimler 2.5 V8

Vreemde techniek in een bekende koets

In z'n expansiedrift neemt Jaguar in 1960 Daimler over en krijgt daar een schitterende V8 bij cadeau. Die achtpitter verpakt in de koets van de Jaguar Mk2 resulteert in de Daimler 2.5 V8, de laatste Daimler met eigen motor.

Deze week een kijkje onder de huid van de Daimler 2.5 V8. Hoewel de auto gebaseerd is op de Jaguar Mk2, heeft-ie een eigen verhaal dat het vertellen waard is. Het begint in 1952 wanneer bij de Jaguar-directie het besef doordringt dat bij een economische teruggang de markt voor dure grote auto’s als een kaartenhuis in elkaar zal storten. Hierdoor zou het bedrijf in financiële problemen kunnen komen. Zodoende wordt – nadat Jaguar in 1952 verhuist van Swallow Road naar Browns Lane in Coventry – project Utah opgestart. Dit moet een sedan opleveren met een circa 2,5 liter grote motor en een (voor die tijd vooruitstrevende) zelfdragende carrosserie. Om het project levensvatbaar te maken, moeten er minimaal 10.000 ‘Utahs’ per jaar verkocht worden. En om Jaguars sportieve imago uit te dragen (het merk domineert in die jaren de 24 Uur van Le Mans) moet de topsnelheid boven de 100 mph (160 km/h) liggen.
Zodoende wordt Jaguar’s zescilinder XK-motor voorzien van een krukas met een kortere slag, wat resulteert in een cilinderinhoud van 2.483 cc. Hiermee is deze motor goed voor 112 pk. Aan de voorkant krijgt de auto schroefveren, de starre achteras is bladgeveerd en rondom worden trommelremmen gebruikt. Op 19 oktober 1955 wordt de Utah tijdens de Earls Court Motor Show gepresenteerd als de Jaguar 2.4 Litre.

Door de jaren heen blijft Jaguar de auto modificeren. Hij krijgt onder meer schijfremmen voor. Deze wijzigingen zijn echter kinderspel bij wat er op handen is. In de zomer van 1958 begint de ontwikkelingsafdeling met wat de Utah facelift of Utah Mk2 wordt genoemd. Van voor tot achter wordt de auto onder handen genomen, waarbij de hertekende C-stijl het meest in het oog springt. Op 2 oktober 1959 wordt het doek getrokken van een auto die door het leven zal gaan als de Jaguar Mk2 (en waardoor het oorspronkelijke model voortaan aangeduid wordt als Mk1). De Mk2 is nu behalve met de motoren van 2,4 en 3,4 liter ook verkrijgbaar met de 3,8-litermotor uit de XK150 sportwagen.

Het gaat Jaguar voor de wind. Op zoek naar uitbreiding van de productiefaciliteiten wordt in 18 juni 1960 het even verderop in Coventry gevestigde Daimler overgenomen van BSA. In eerste instantie blijft het Daimler-modelportfolio gewoon gehandhaafd, inclusief de sportwagen SP250 (ook wel bekend als de Dart) met z’n kunststof koetswerk en vlak voor de overname gepresenteerde 2,5 liter V8 met centrale nokkenas en stoterstangen. Van de 4.5 L V8 Majestic Major wordt onder Jaguar-regime nog een versie met lange wielbasis ontwikkeld, de DR450. Vanuit het Daimler-verkoopkanaal is er echter ook een sterke roep om een voor Daimler-begrippen compact model. Het vermaarde Stratstone-dealerimperium dat Daimlers door heel Engeland verkoopt is zelfs bereid om er z’n Volkswagen-franchise voor op te geven. Een compleet nieuw ontwikkeld Daimler-model zit er echter niet meer in. Onder de indruk van Daimlers 2,5 liter V8, lepelen Jaguar-ingenieurs in november 1960 die motor in de koets van een Mk1. De resultaten zijn boven verwachting en leiden uiteindelijk in oktober 1962 tot de presentatie van de Daimler 2.5 V8, nu uiteraard in de koets van de Mk2, maar dan wel met een Daimler-grille, Borg Warner drietrapsautomaat en hoogwaardiger uitrustingsniveau. De voorstoelen van de Mk2 maken plaats voor een bank met een in delen verstelbare rugleuning, zodat je in principe met z’n drieën voorin kunt zitten. Dit wordt ook mogelijk gemaakt doordat de versnellingspook op de middentunnel is komen te vervallen ten faveure van een keuzehendel aan de stuurkolom. Enne ... de handremhefboom zit toch al aan de portierzijde.

De verkoop van de compacte Mk2 en Daimler 2.5 V8 loopt lekker, dit in tegenstelling tot die van de grote Jaguar Mk X, hoewel dit model voortaan een grotere, 4,2-literversie van de XK-motor meekrijgt. Aan een opvolger van de grote limousine wordt onder codenaam XJ4 hard gewerkt. Het eerste prototype van de XJ4 maakt in mei 1966 z’n eerste kilometers. Alleen zal het nog jaren duren voordat die gereed is voor de verkoop. Een oplossing is hoognodig. Zodoende wordt project XJ16 opgestart. Kort gezegd is dit een S-Type (een up-market versie van de Mk2) met de 4,2 zescilinder en een neus die nu met z’n teruglopend front en vier koplampen sterk doet denken aan de grote Mk X. Parallel aan project XJ16 loopt XDM16, de Daimler-variant van de auto. Om XDM16 zoveel mogelijk een Daimler te laten zijn, luidt het plan om de 4,5 liter V8 uit de DR450 te gebruiken. Wanneer op 13 oktober 1966 het doek van de auto’s wordt getrokken, blijken ze Jaguar 420 en Daimler Sovereign te heten; beide hebben de 4,2 liter zescilinder. Daimler's grote V8 heeft het niet gehaald in dit model. Wel wordt de Daimler 2.5 V8 nog licht geretoucheerd en zal-ie z’n laatste levensfase als Daimler V8-250 slijten.

In de fabriek wordt alles klaar gemaakt voor de XJ6 – zoals project XJ4 uiteindelijk door het leven zal gaan. Omdat er nog geen Daimler-variant van die auto is, blijft de Sovereign nog tot 9 juli 1969 in productie. En wanneer op 5 augustus 1969 de laatste Daimler V8-250 van de band rolt is het definitief over met project Utah.

Deze rubriek verschijnt voortaan iedere zaterdag op AutoWeek.nl. Wil je het verhaal in het vervolg eerder lezen? Volg Cornelis Kit dan op zijn Facebookpagina, daar lees je elke week al op Doorkijk-donderdag een nieuw pareltje van zijn hand!

Video