Slideshow

Dodenweg

Rotsachtige, afbrokkelende karrensporen langs adembenemend diepe ravijnen in het Andesgebergte, de A104 van Nairobi naar Mombasa, waar dertig jaar geleden bij ons afgedankte vrachtwagens in handen van rijbewijsloze chauffeurs tussen de gaten in het asfalt door slalommen en waar elke parkeerplaats een dampende beerput van misdaad en prostitutie is; ik dacht dat ik niet meer te imponeren ben als het op gevaarlijke wegen aankomt.

Mis. We hadden besloten de eerste week van het nieuwe jaar in de zon door te brengen. Maakt niet uit waar, mits zon, warmte en niet te ver vliegen. Tja, en dan kom je bijna automatisch in Noord-Afrika uit. In ons geval in Marokko, in een prachtig hotel net buiten Marrakech, aan de voet van de Atlas. Nou is het een chaos op de wegen daar, maar daar anticipeer je op en dan is er weinig aan de hand. Maar op een avond, na een lange dag door de Atlas zwerven, rijden we na inval van de duisternis terug over de 203 van Tahannaout richting Marrakech. Het is een vierbaans weg, waar de maximumsnelheid op de meeste plaatsen 100 km/h is. Het Marokkaanse equivalent van onze snelweg, zeg maar. Aanvankelijk is er niets aan de hand, maar naarmate we Marrakech naderen, wordt het drukker. En met drukker bedoel ik overbeladen ezeltjes, brommers, overstekende voetgangers, fietsers. Alles onverlicht, op een evenmin verlichte 'snelweg'. Steeds opnieuw moet ik op het laatste ogenblik uitwijken voor een paar op de weg spelende kinderen. Ik pas mijn snelheid naar beneden aan, maar dat komt me meteen te staan op driftig grootlicht op enkele tientallen centimeters van mijn achterbumper en levensgevaarlijke inhaalmanoeuvres via links, maar ook via rechts, over de vluchtstrook annex trottoir. Ik tuur in opperste concentratie de duisternis in, niet zelden volkomen verblind door verkeerd afgestelde koplampen van tegenliggers. Een tweede paar ogen naast mij waarschuwt mij regelmatig met korte opmerkingen als "pas op, fietser!", "kinderen vooruit!" of "verderop beweegt iets geloof ik".

Dit moet welhaast misgaan. En al zou je het dan amper mijn schuld kunnen noemen, ik weet niet of ik ooit nog een fatsoenlijke nacht zou kunnen slapen als ik hier een kind dood zou rijden. Op het laatste stuk naar het hotel, op de P2017, krijgen we het klapstuk. Een fietser, zonder verlichting, op de linkerbaan, tegen het verkeer in. Ik schiet op het laatste moment naar rechts en kan hem ternauwernood ontwijken. Nadat ik de auto weer op koers heb, kijken we elkaar in het schaarse licht van het dashboard geschrokken aan, en beginnen dan tegelijkertijd te lachen. Je kunt er maar beter de lol van in proberen te zien. "Onbegrijpelijk dat we hier de hele week nog niet één ongeluk hebben gezien", klinkt het enigszins nerveus naast me.

Dat had ze beter niet kunnen zeggen. De volgende ochtend, op weg naar het vliegveld, passeren we een groepje mensen dat zich opgewonden heeft verzameld rond een lichaam dat op het asfalt ligt. Als ik een paar dagen later in de kroeg het hele verhaal aan een Marokkaanse vriend vertel, hoort hij me meewarig aan. Ik zal wel niks gewend zijn.